Op verzoek van de werknemer of de werkgever geeft UWV een oordeel over de volgende 4 vragen:

  • Kan de werknemer zijn eigen werk (weer) doen?

Voorbeelden:
1. De werknemer wil zijn eigen werk weer gaan doen en is het niet eens met de bedrijfsarts dat hij niet met machines mag werken. De werknemer denkt dat hij zijn werkzaamheden voor een beperkt aantal uren kan verrichten met het uiteindelijke doel om tijdens de re-integratieperiode te komen tot 100% werk. Hieromtrent is een meningsverschil met de werkgever, die het advies van de bedrijfarts volgt.
2. De werkgever denkt (na advies van de bedrijfsarts) dat de werknemer per bepaalde datum het eigen werk werk weer volledig kan hervatten. De werknemer vindt echter dat hij hier nog lang niet aan toe is.

  • Heeft de werknemer genoeg gedaan voor zijn re-integratie?

Voorbeelden:
1. De werknemer is inmiddels weer voor 70% inzetbaar met evenredige loonwaarde in het 1e spoor. Er wordt vanuit de verzekeraar aangedrongen op het starten van een 2e spoortraject. De werknemer heeft echter onvoldoende energie over om zich te kunnen concentreren op passend werk bij een andere werkgever. Dit zou extra stress en onrust opleveren, waardoor dit ook contraproductief zou werken op herstel in spoor 1. Ook de behandelend arts heeft geadviseerd vooral spanning en stress te vermijden en zich voornamelijk te richten op herstel en behoud van arbeidsvermogen in 1e spoor. De verwachting is dat 70% inzetbaarheid kan worden gerealiseerd in het 1e spoor en het is nog maar de vraag of dat elders kan worden gerealiseerd. Onderliggende vraag is dan ook als de opgebouwde inzetbaarheid in het 1e spoor zich verder ontwikkelt (of minimaal gehandhaafd blijft): is het opstarten van een 2e spoortraject dan noodzakelijk, ook wetende dat dit (volgens alle deskundigen) juist contraproductief zal werken en mijn opbouw in het eerste spoor in de weg zou staan?
2. De werkgever vindt (na advies van de bedrijfsarts) dat de werknemer een bepaalde actie kan ondernemen om weer aan het werk te gaan, maar de werknemer weigert dit.
3. De werkgever en werknemer willen weten of ze op goede weg zitten.

  • Is het werk binnen of buiten het bedrijf dat de werknemer wil of moet doen passend?

Voorbeelden:
1. De werknemer twijfelt of aangeboden arbeid door de werkgever wel passend is. Werknemer denkt zelf van niet op advies van de behandelaar. Er is sprake van een mediationtraject. Werkgever geeft aan visie van de bedrijfsarts te volgen.
2. De werknemer ziet ander passend werk binnen de organisatie of daarbuiten, maar de werkgever vindt dit werk niet geschikt en biedt het dus niet aan.
3. De werkgever en werknemer vragen zich af of bepaald werk wel passend is.

  • Heeft de werkgever voldoende gedaan aan de re-integratie van uw werknemer?

Voorbeelden :
1. De werkgever wil graag een oordeel hebben of zij voldoende doen (op de goede weg zitten) om werknemer te re-integreren gezien de belastbaarheid/aanwezige beperkingen. Er is discussie over de belastbaarheid. Werknemer is het niet eens met de bedrijfsarts. Dit leidt tot spanning tussen werkgever en werknemer.
2. Er is sprake van een zeer beperkte belastbaarheid en een urenbeperking (volgens bedrijfsarts). De werkgever wil graag weten of ze in deze situatie het goed heeft gedaan en er toch voldoende aan doet om de werknemer weer aan het werk te krijgen.
3. De werkgever wil graag weten of ze voldoende doen om de werknemer aan het werk te helpen. Werknemer is al een periode ziek en er is nog geen sprake van een medische eindsituatie. Werken en/of re-integratieactiviteiten blijken steeds niet mogelijk. De vraag is dan ook of ze er voldoende doen aan de re-integratie en of het oordeel van de bedrijfsarts plausibel is.
4. De werkgever en werknemer willen weten of ze op goede weg zitten.

Perspectief van de werknemer of van werkgever

Al deze vragen kunnen dus vanuit het perspectief van de werknemer of van werkgever worden gesteld. Er hoeft niet altijd sprake te zijn van een meningsverschil tussen werkgever en werknemer. Het DO wordt vaak ingezet als toets of ze op de juiste weg zitten bij een van de vragen over de re-integratie-inspanningen (2e en 4e bullit hierboven).
Let op! Het DO om te weten te komen of genoeg is gedaan voor de re-integratie (de re-integratie-inspanningen) kan uiterlijk worden aangevraagd totdat de werknemer 1,5 jaar ziek is.
Bij de andere 2 vragen (1e en 3e bullit hierboven) gaat het om een check of UWV het werk passend vindt en/of iemand eigen werk weer (volledig) kan doen. Ook hier hoeft er geen sprake te zijn van een meningsverschil.

Het is van belang dat de persoon die het DO aanvraagt ook de gevraagde bijlagen meestuurt, zoals de probleemanalyse, het recente oordeel van arbodienst of bedrijfsarts en het plan van aanpak. Het is raadzaam om alle informatie op te sturen waarvan de aanvrager denkt dat het zijn zaak duidelijker maakt voor het UWV.

Vier basisvragen

U kunt alleen een van de vier voorgeschreven vragen stellen. Binnen een van deze vier basisvragen moet de vraagstelling dus passen. In de toelichting is het echter vaak wel mogelijk om subvragen te stellen.
Het stellen van subvragen in het DO is van belang, omdat hiermee het meest gericht antwoord verkregen kan worden op de vraag die er echt speelt of vragen die er spelen.